Atelierbezoek

Foto: atelier Jan de Goede op 22 december 2017

* * *

In memoriam Jan de Goede (1946 – 2018)

Toen onze jongste zoon een peuter was, vroegen we Jan de Goede of hij hem wilde portretteren. Jan was een van onze beste vrienden, voor onze andere zoon ‘oom Jan’. Jaren eerder had hij een meer dan levensgroot portret van hem gemaakt. Ondanks zijn eigen aarzelingen waren we er erg blij mee. Nu was de volgende aan de beurt. Jan maakte een aantal foto’s, daarna zou hij gaan schetsen, tekenen en misschien schilderen. Wanneer we iets mochten zien, liet hij wijselijk in het midden.

Na verloop van tijd brachten we het portret niet meer ter sprake. Ook Jan kwam er niet meer op terug. We vermoedden dat zijn eerdere twijfels dit keer nog sterker waren. Dat hij ergens was vastgelopen en zich schaamde om het ons te vertellen.

Jan overleed op woensdag 4 april 2018, na een half mislukte hersenoperatie, gevolg door een poging tot herstel die uitliep op een gestage aftakeling. Op de dag van zijn uitvaart stapten we – mijn vrouw, onze beide zonen en ikzelf – voor de laatste keer zijn atelier binnen. Het was druk en we zochten een plek om even op adem te komen. Op de geïmproviseerde koffietafel stond een jongensportret. Tijdens de voorbereiding had men zich afgevraagd wie het was. Had hij een foto uit een krant of tijdschrift als voorbeeld gebruikt? Met een lichte schok herkenden mijn vrouw en ik onze jongste zoon. Daarna herkende hij zichzelf en zag ook zijn broer wie hem aankeek over het koffieservies.

Een voor een begonnen we te snikken, ieder van ons was op zijn of haar eigen manier troosteloos. Onhandig hielden we elkaar vast, alsof we wilden voorkomen dat het verdriet een van ons de peilloze diepte introk. Zo stonden we in het atelier waar Jan bijna dertig jaar had gewerkt. Om ons heen zijn onvoltooide schilderijen, in rekken of aan de muur. Ze waren tot voor kort het object geweest van zijn aarzelingen en overwegingen, resulterend in voortdurende aanpassingen en nieuwe variaties. Nu de kist met zijn lichaam hier onder het daklicht stond opgesteld, leken al die schilderijen op voorstudies van een verloren of ongerealiseerd meesterwerk. Een subliem schilderij dat zich – ten slotte – zou kunnen meten met het werk van zijn grote voorbeelden.

Als neogotische heiligenbeelden hadden ze in zijn atelier op hem neergekeken: Vermeer, Rik Wouters, Cézanne, Lucian Freud en Marcel Duchamp. We spraken in de afgelopen jaren dikwijls over hun betekenis, soms wisselden we onze gedachten uit per brief of email. In mijn herinnering waren Vermeer en Wouters zijn eerste voorbeelden. De schilderijen van Vermeer presenteren zich als sublieme constructies. Jan was een kenner en bewonderaar van Gezicht op Delft. Ik opperde dat tijd daar de beslissende factor is, zoals wel vaker bij Vermeer. Zoals Masaccio de ruimte verbeeldt door middel van het verdwijnpunt, maakt Vermeer de tijd zichtbaar door middel van het moment. Het zonlicht valt even door de wolken, het meisje met de parel kijkt even over haar schouder – dan is het alweer voorbij. Vermeer zag de werkelijkheid in een split second, voordat de fotografische techniek dat mogelijk maakte.

Vermeer was voor Jan een meester, iemand die je probeert te doorgronden om daarvan te leren. Rik Wouters was voor hem een rolmodel, iemand van wie je leert en die voordoet hoe je kunt leven. Wouters belichaamde voor Jan de onvoorwaardelijke liefde voor het leven en de diepe weemoed om de kwetsbaarheid van die liefde. De spontaneïteit en de intimiteit van zijn werk komen voort uit de combinatie van een scherp observatievermogen, een elegant handschrift en een sprankelend kleurgebruik. Een dergelijke virtuositeit bewonderde hij ook bij Cézanne. Hoe die met verf de zuivere sensatie oproept van licht en kleur, daar kon hij niet over uit. Zuiver intuïtief, maar dan met een bijna wiskundige intuïtie, zonder een spoor van vaagheid.

Na verloop van tijd werd Wouters als rolmodel naar de achtergrond gedrongen door Lucian Freud. Dat wil overigens niet zeggen dat Jan ook maar de geringste illusie had dat hij zich in Freud kon verplaatsen. Waarschijnlijk was dat mede het gevolg van een veranderend mensbeeld. Terwijl het werk van Wouters zelfs in zijn donkerste momenten gloeit van warmte, schept Freud een sfeer van kille, existentiële eenzaamheid. In een brief van 14 mei 2008 noemde Jan behalve Freud ook R.B. Kitaj, een andere schilder van de ‘School of London’: “Je weet ook dat ik verschrikkelijk jaloers ben op Freud (en op Kitaj), schilders die zich niets aantrokken van het tumult om hen heen en hun eigen spoor trokken. Daar val ik spartelend bij in het niet. Toch heeft dat geen zin natuurlijk en geloof ik ook wel zeker dat mijn gespartel niet zinloos is en dat mijn eigen spullen, niet revolutionair, niet origineel, maar wel iets van mezelf zijn, van m’n eigen gedoe.”

En dan was er nog Marcel Duchamp. De fascinatie van Jan ging vooral uit naar Het Grote Glas (officiële titel: De bruid ontkleed door haar vrijers, zelfs), de ‘meta-machine’ die één geheel vormt met de talrijke notities. Bij Duchamp ontstond de kunst niet uit het idee, maar waren de kunst en het idee één en dezelfde, liefst ludieke gebeurtenis. Een paar jaar geleden kocht ik voor Jan in Tokio een Japanse uitgave met teksten van Duchamp. Voorop (dus achterop) stond een zwart-wit portretfoto. Jan zette dat onleesbare boekje als een readymade dwars op een plank van een van zijn volle boekenkasten.

Tussen deze voorbeelden van Jan bestaan grote verschillen en tegenstrijdigheden. Behalve om mensbeelden, gaat het om ratio en intuïtie, om werkelijkheid, beleving en verbeelding, om individu en traditie en om het schilderen zelf.

Zo stonden we daar in het atelier, twee ouders en hun zonen, tussen de onvoltooide schilderijen, tegenover het jongensportret, bezig met onze eerste gezamenlijke oefening in afscheid en verlies, pogend om het verdriet de baas te worden. Ook het schilderij van onze jongste zoon was nu een work in progress, waarvan de uitvoering was opgeschort. Jan zou zijn aarzelingen niet meer overwinnen.

Achteraf denk ik dat zijn onvermogen om een portret te tekenen of te schilderen veel zegt over zijn kunstenaarschap. Al zijn voorbeelden waren meesterlijke (zelf)portrettisten. Ook Marcel Duchamp maakte in 1959 nog een indringend zelfportret, een tekening met een gipsen afgietsel van zijn kaak. Maar Jan wist zich met zijn (zelf)portretten eigenlijk geen raad. Het lukte hem niet om een vorm te vinden die – in navolging van Duchamp – tegelijkertijd een idee was. Kennelijk zag hij over het hoofd dat de door hem bewonderde portretten uitdrukking geven aan de gedachten en het gevoel van de afgebeelde personen, zoals die door de kunstenaar worden gezien, beleefd en geïnterpreteerd. Het idee ligt dus niet onder het portret, maar het komt voort uit de wisselwerking tussen de schilder en zijn of haar model – of in het geval van een zelfportret: uit het vermogen tot zelfreflectie.

Zowel voor het portret als het zelfportret moet de kunstenaar zichzelf diep in de ogen kijken. Hoever wil hij of zij gaan om tegemoet te komen aan wat de filosoof Charles Taylor ‘het ideaal van de authenticiteit’ noemt? Jan werd daarin belemmerd doordat hij niet voldeed aan zijn eigen verwachtingen. Hij twijfelde ernstig aan zichzelf, aan zijn intellect, zijn talent en zijn moraal. De frustratie die daaruit voortkwam, uitte zich als regelrechte agressie wanneer iemand – een collega, een kennis of familielid – op een ongelegen moment tot hem probeerde door te dringen.

De worsteling met zichzelf bepaalde ook zijn verhouding tot de romantiek. Als een uitvlucht zocht hij houvast in de traditionele kennis en kunde van het kunstenaarschap. Uit een brief van 24 maart 2005: “Van alle cantates [van Bach] die ik ken, vind ik de aria Mein alles in allemen het koor Ertöt uns durch dein Gütede allermooiste, vooral het koor; niet de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste gedachte of gevoelen, maar de uitdrukking van het ademen van de menselijke stem. […] De romantiek heeft alles verpest. Van die dingen.”

De twijfel aan zichzelf was voor Jan een diepe bron van zijn kunstenaarschap. Hij vond daar de motivatie om ‘zichzelf’ te ontwikkelen en te bewijzen. Maar dezelfde twijfel kon hem ook verlammen en tot wanhoop drijven. Die paradox vormt misschien de oorzaak van de fundamentele onvoltooidheid van zijn schilderijen. Misschien is er ook een verband met de doodsangst van zijn laatste levensfase. Hij wilde en kon zijn leven en zijn werk niet achterlaten als een persoonlijke teleurstelling.

Spijtig genoeg is het niemand gelukt om hem op andere gedachten te brengen. Ik had hem er zo graag van overtuigd dat het leven meer is dan het overwinnen van twijfels en inlossen van verwachtingen. En dat er altijd vrienden zijn die je dankbaar zijn omdat je ze meer, heel veel meer, hebt gegeven dan ze ooit hadden durven hopen.

Na afloop van de herdenkingsbijeenkomst stonden we voor de deur naar zijn atelier. De kist werd in de lijkauto geschoven, die vervolgens langzaam in de lange, smalle straat verdween. Het atelier was ontzield, ten slotte was het proces van variëren en veranderen toch tot stilstand gekomen. De vorige avond herlas ik een brief van 31 mei 2005: “Met mij gaat het wel. Moet vechten tegen gebrek aan energie, moeheid die makkelijk moedeloosheid kan worden, en de demonen die daarmee wakker worden en op de loer liggen. Probeer elke dag in het atelier te werken en als dat lukt maakt me dat gelukkig. Het is de enige remedie.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: