Het DNA van de stad

Afbeelding: het originele DNA-model, ontworpen door James Watson en Francis Crick, ca. 1953

* * *

Bijdrage aan het boek ‘Share the Vibe’ van Peter Kentie

* * *

In citybranding gaat het vaak over het DNA. Neem Rotterdam: ‘Het typische Rotterdamse DNA van de stad komt neer op de woorden Bold (of rauw), Forward (of ondernemend) en Culture (of internationaal). Het DNA is de basis van het merk Rotterdam.’ Of Den Haag: ‘Ondanks de grote diversiteit van Hagenaars en de verschillende gezichten van Den Haag, is er sprake van een Haagse identiteit (het DNA van Den Haag).’

DNA is de biologische sleutel voor groei en voortplanting. Aan hun DNA kun je soorten, rassen, families en unieke individuen herkennen. Bij mensen bepaalt DNA de aanleg – dat wat je bij je geboorte hebt meegekregen aan karakter, talent en gebreken. In het ‘nature-nurture-debat’ staat DNA tegenover de invloed van opvoeding, omgeving en cultuur.

De stedelijke bevolking wordt vaak voorgesteld als een uitgebreide familie. In navolging van de classificatie als ‘eigen’ en ‘aangetrouwd’ heeft een stad ‘echte’ inwoners en ‘import’. In Antwerpen zijn ‘sinjoren’ bijvoorbeeld inwoners van wie de ouders en grootouders binnen de oude vesting van de stad geboren zijn. In hun ogen zijn de andere inwoners veredelde verblijfstoeristen.

Maar hoe je het ook opvat – letterlijk of figuurlijk – het DNA van een stad bestaat niet. Hoogstens heeft een stad enkele van oudsher onderscheidende kenmerken, zoals ligging, bodem en grondstoffen of klimaat. Al het andere is stedelijke cultuur.

Door logistieke en digitale verbindingen zijn stedelijke culturen in de afgelopen decennia eenvormiger geworden. Alle winkelstraten lijken op elkaar (inclusief de leegstand). Overal hebben restaurants vergelijkbare menu’s, en pronken boutique hotels met een stereotype styling. Ook de stedelijke voetbalclubs lijken meer op elkaar dan hun fans willen doen geloven. Daardoor wordt citybranding noodzakelijk om te binden en te concurreren.

Daar begint het misverstand van DNA als code voor stedelijke identiteit. In het huidige tijdsgewricht is dat geen onschuldig misverstand. Behalve grootspraak van marketeers biedt het een voedingsbodem voor lokaal nationalisme en bijbehorende identiteitspolitiek. Echte inwoners beschouwen zich als erflaters van de enige ware stadscultuur. Ze ontlenen daaraan meer recht van spreken dan nieuwkomers.

Naar analogie van de Amerikaanse ‘hyphen-nation’ met Mexicaans-Amerikanen, Italiaans-Amerikanen, Afrikaans-Amerikanen enz. zijn steden ‘koppelteken-steden’ geworden. De stad is behalve een logistieke hub te midden van andere plaatsen ook een identiteits-hub. De meeste inwoners werden in een andere stad geboren. Die verwevenheid maakt stedelijke cultuur bij uitstek open, divers en dynamisch.

Althans, de bovenlaag van de stedelijke cultuur – daaronder ligt nog steeds het traditionele substraat van historie, helden en symbolen. Net als de sfeer van straten, gebouwen en parken blijft dat bepalend voor de eigenheid van een stad. Maar met DNA heeft het allemaal niets te maken.