Afbeelding: schilderij van Marga Minco, zonder titel en jaartal
* * *
Bijdrage aan het boek ‘Thuisreis – De jonge jaren van Marga Minco’
* * *
Vanaf de jaren zestig begon Marga Minco, aangemoedigd door haar echtgenoot Bert Voeten, te schilderen: “Als het schrijven niet lukt, schilder ik.” Ze tekende al veel langer, ze volgde tijdens de Duitse bezetting een tekencursus en gaf korte tijd tekenles op een Joods schooltje in Amsterdam. In het gezin Minco waren de creatieve talenten ordelijk verdeeld tussen de kinderen. Marga (die toen nog Selma heette) schreef, haar broer David (Dave) speelde viool en trompet, en haar zus Bettie maakte aquarellen en schilderijen. Toen Minco begon te schilderen, begaf ze zich op het terrein van Bettie. Anders dan haar zus had ze niet de ambitie om beeldend kunstenaar te worden. Schilderen was voor Minco een voortzetting van haar schrijverschap met andere middelen. Een schrijverschap gedreven door de noodzaak om, in haar eigen woorden, “af te dalen in mijn geheugen”. Door de verwevenheid met haar verhalen en romans vormen haar schilderijen een intrigerend schaduw-oeuvre.
De beeldtaal van Minco heeft verwantschap met Grandma Moses, de Amerikaanse kunstenares die pas vanaf haar 78stebegon te schilderen en na de Tweede Wereldoorlog in Amerika en Europa enorm populair werd. Bij het overlijden van Grandma Moses in 1961 prees The New York Times “het eenvoudige realisme, de nostalgische sfeer en de heldere kleuren”. Ook Minco was een bewonderaar, ze bezat het monumentale boek Grandma Moses met teksten van haar ontdekker, de invloedrijke kunsthistoricus Otto Kallir. Uit de roman Nagelaten dagen: “Gedurende de lange treinreis langs de Californische kust heb ik voornamelijk uit het coupéraam zitten staren, naar het wisselende landschap van roodbruine en groene heuvels, willekeurige bospartijen, velden vol bloeiende struiken en Grandma Moses-achtige boerderijtaferelen. Een paar keer dook onverwacht de oceaan op met een reep geelwit verlaten strand. Soms leek het of de houten huizen, de bonte koeien en de dravende paarden sterk verkleind waren, als hield ik de verkeerde kant van een verrekijker voor mijn ogen.”
De kleurrijke mengeling van herkenbaarheid en nostalgie die Grandma Moses typeert, geeft ook het werk van Minco een onmiskenbare charme. Dat geldt zeker voor de dertien schilderijen uit eerste helft van de jaren zeventig die ik beschouw als de kern van haar oeuvre. ‘Familie op de wandel’ of de titelloze schilderijen met een kersen etend gezin, een bolderkar of twee meisjes met witte kraagjes en vlechtjes zijn op het eerste gezicht even aantrekkelijk als het werk van de Amerikaanse kunstenares. Anders dan Grandma Moses schilderde Minco geen gedetailleerde landschappen. Op sommige schilderijen bestaat de achtergrond uit een decor van bos, tuin of stad, op andere uit schematische kleurvlakken.
Kenmerkend voor Minco zijn de losse beeldelementen die, her en der verspreid, het geheel op een collage doen lijken. Binnen elk van deze schilderijen plaatste ze kleinere schilderijtjes (of geschilderde foto’s), met daarbinnen soms nog een portretje. Een breiende vrouw wordt omringd door zeven ovale portretjes, als een wonderlijk zonnestelsel. In totaal bevatten de dertien schilderijen vierentwintig kleinere schilderijtjes met daarbinnen drie portretjes. Het merendeel daarvan heeft een ronde of ovale lijst, door het gebruik van sepia- en grijstinten lijken ze op portretfoto’s. De portretjes verwijzen naar de grootouders, ouders, broer en zus. Minco verschijnt ook zelf als het ene van twee moeilijk van elkaar te onderscheiden zusjes. Er zijn portretjes van een gezin met drie kinderen, een echtpaar in een huiskamer en een bruidspaar. Van de tien individuele portretjes is er een van broer David; de portretjes van een man en een vrouw in een geopende deur vormen pendanten.
Het rechthoekige schilderijtje binnen de winterse scène van ‘Familie op de wandel’ verwijst naar de zomervakanties in Katwijk aan Zee: over het lichtblauwe water vaart een zeilboot, op het hooi-kleurige strand twee meisjes in gekleurde badpakken, op een berg zand waaruit een schep steekt, wappert een Nederlands vlaggetje. Katwijk aan Zee komt ook voor in het album dat Minco voor Bettie maakte als cadeau bij haar huwelijk met Hans Rosin op 5 mei 1942. Zowel de herinnering aan het album, als de herinneringen uit het album waren vervaagd toen ze het weer in handen kreeg. Begin jaren negentig ontdekte Minco dat haar huwelijkscadeau bewaard was gebleven, weggeborgen in een kartonnen doos bij de oudere zus van Hans Rosin in Santa Barbara in Californië.
De schilderijen en getekende herinneringen vormen verschillende verdiepingen van Minco’s geheugen. Maar behalve de zomervakanties liggen de overeenkomsten niet voor het oprapen. Het poortje van de MULO uit het herinneringsalbum doet denken aan een poortje met een muur op het schilderij ‘Doorkijkje’. De gevel van het geboortehuis, met de schuine gordijnen in de ramen, komt terug in het schilderij met kersen etende kinderen. Selma en Bettie figureren op meerdere albumbladen, op één blad als de opgroeiende “kleintjes”. Het karakteristieke beeld van de onafscheidelijke zusjes komt ook terug op de schilderijen.
In het album komt de Duitse bezetting bijna terloops voorbij (“angst en haast en vrees en alles abnormaal en zwart en donker”). Voor het overige getuigen de herinneringen van een onbekommerde jeugd, waar alleen het alledaagse scheldwoord ‘brillejoden!’ vooruitwijst naar de Jodenvervolging. In 1942 lagen de opgetekende gebeurtenissen nog vers in haar geheugen. De schilderijen uit de jaren zeventig zijn het resultaat van een andere orde van terugkijken. Hoewel de meeste niet veel kleiner zijn dan het album, lijken ze dat wel. De kleinere portretjes versterken die indruk: “als hield ik de verkeerde kant van een verrekijker voor mijn ogen.” De schilderijen verbeelden de herinnering van Marga aan Selma, aan wie ze was te midden van haar vermoorde familieleden. De kleinere portretjes scheppen afstand en geven uitdrukking aan een onmogelijk verlangen naar nabijheid.