Symboolpolitiek/ Symbolic politics

Afbeelding: boekomslag Prometheus, Niels Meulman en DK/ 1992

Deze tekst werd in 2010, voorafgaand aan de vorige verkiezingen, gepubliceerd in de seizoensbrochure van Premsela. Er kwamen relatief veel reacties, de mooiste misschien van de museumdirecteur die me vroeg of hij het stuk mocht voorlezen op een congres van collega-directeuren. Achteraf kun je vaststellen dat ik geen spoken zag. In de paar jaar dat de PVV als semi-regeringspartij mocht opereren, heeft zij samen met de VVD en het CDA onherstelbare schade toegebracht aan het cultuurbeleid. Het is ronduit cynisch dat dit beleid nu onder verantwoordelijkheid van een PvdA-minister ten uitvoer wordt gebracht.

PLEASE SCROLL DOWN FOR ENGLISH

In 1991 schreef ik een biografie over van het Philips-merk met als titel De schuld van het schildembleem. Daarmee wilde ik laten zien dat je soms aan een beeldmerk de bedrijfsgeschiedenis af kunt lezen. Maar misschien kunnen sommige logo’s ook iets over de toekomst vertellen. Zo denk ik nog steeds dat de teloorgang van Ajax begonnen is met de commerciële abstrahering van het oude verenigingsembleem, en dat de agressieve restyle van het Shell-symbool vooruit wijst naar het eerste rapport van de Club van Rome. En zo vraag ik me steeds vaker af wat de rood-wit-blauwe meeuw van de Partij van de Vrijheid (PVV) ons wil vertellen.

Het beeldmerk van de PVV is gemaakt in 2006, het oprichtingsjaar. Wie het heeft ontworpen is onbekend; de partijleider heeft het over ‘de vormgever’. Die geheimzinnigheid maakt nieuwsgierig. Heeft de vormgever geheimhouding bedongen omdat hij of zij anders problemen verwacht met collega’s en klanten? Of is de meeuw een proeve van huisvlijt, in de nachtelijke uren getekend door de partijleider zelf, of één van zijn medewerkers? Als de vormgever bang is voor problemen is dat een probleem op zichzelf. Ik vind dat ontwerpers moeten kunnen werken voor wie ze willen, binnen de ruimte die de wet ons geeft. Sterker nog: ik vind dat elke ontwerper moet kunnen werken voor elke politieke partij, omdat hij of zij zich niet moet engageren met één bepaalde stroming, maar met de meerpartijendemocratie (vergelijk de advocaat die zich niet engageert met de dader, maar met de rechtsstaat). Anders gezegd: in onze democratie gaat het er juist om dat alle partijen zo goed zijn vormgegeven dat de burger zelf kan kiezen.

Hoe dan ook, het ontwerp is niet bepaald een meesterwerk. De meeuw is grof gestileerd, de houding met de kop en face is ongelukkig gekozen, de blauwe vleugels zijn transplantaten van een Pterodactylus, de rode staart lijkt nog het meest op de bocht van een rookworst, het licht op de romp komt van rechts terwijl – gek genoeg – de drop shadow onder de vogel ook naar rechts valt. Met meer toewijding had ‘de vormgever’ echt iets beters kunnen maken.

Waarschijnlijk wil de PVV dat we zijn beeldmerk gaan zien als de Hollandse pendant van de Franse haan, met rode kam en borst, en blauwe staart. Zoals de haan de trots en de strijdvaardigheid van Frankrijk verbeeldt, zo moet de meeuw symbool gaan staan voor onze vrijheid. Met dit essentiële verschil dat de Franse haan vooral appelleert aan patriottisme en de Nederlandse meeuw aan nationalisme. Hoe gevoelig die associaties liggen bleek toen een historicus in het Historisch Nieuwsblad signaleerde dat de meeuw in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw werd gebruikt door de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) als teken van vrijheid en nationale saamhorigheid. Hij illustreerde die overeenkomst met een affiche uit 1941 (‘Wilt U vrijheid of knechtschap / Vrijheid alléén door de NSB’). De partijleider reageerde als door een wesp gestoken:

‘Wij vroegen alleen maar om een positief en fris beeldmerk en de vormgever kwam zelf met deze vogel. Alleen een geesteszieke bedenkt het dan om een link te leggen naar het fascistisch gedachtegoed uit de jaren dertig. We hebben daar niets mee en we willen daar helemaal niets mee.’

Ik kan goed begrijpen dat de PVV-ers een frisse, positieve meeuw verkiezen boven een nationaalsocialistische meeuw. Maar ze verliezen hun geloofwaardigheid wanneer hun cultuurwoordvoerder zelf de NSB opvoert om zijn betoog tegen cultuursubsidies kracht bij te zetten: ‘We hebben al 65 jaar cultuursubsidies. Die hebben we te danken aan een linkse politieke partij, een socialistische organisatie, namelijk de NSB.’ Los van de slordigheid waarmee de NSB nu eens als fascistisch en dan weer als links wordt bestempeld, rammelt dit betoog aan vele kanten. Vermoedelijk doelt de cultuurwoordvoerder op de instelling van de Nederlandsche Kultuurraad (NKR), in 1942. Wat betreft naamgeving lijkt de NKR inderdaad op de huidige Raad voor Cultuur (RvC), maar daarmee houdt elke overeenkomst op. De NKR wilde het Nederlandse culturele leven ontvankelijk maken voor de nationaalsocialistische ideologie. In NSB-kringen was men verontrust over de groeiende verwijdering tussen de kunstenaar en ‘de volksgemeenschap’. De nadruk moest daarom komen te liggen op thema’s als de verbondenheid met land en volk, historisch besef, het uitbannen van ontaarde creativiteit en een positief-Germaanse houding.

Feitelijk belichaamt de NKR de politisering van cultuur, terwijl de RvC staat voor de politieke onafhankelijkheid van de gesubsidieerde cultuur. Als de PVV zowel het model van de NKR als van de RvC naar de schroothoop van de geschiedenis verwijst, wat wil hij dan wél?

De cultuurwoordvoeder besluit:

‘De Partij voor de Vrijheid zet zich in voor een bloeiend kunstleven. De manier waarop de overheid zich daarmee bemoeit draagt daar niet aan bij. Beter is de burger zelf zijn eigen geld terug te geven. (…) De beste manier de kunsten te steunen is forse belastingverlaging. (…) Ik zou zeggen: weg met het collectivisme en leve de vrije burger.’

Daarmee komt de aap uit de mouw. De PVV wil via de vrije markt de kunst terug geven aan de vrije burgers en zo de verwijdering tussen de kunstenaar en de volksgemeenschap opheffen. Onuitgesproken – maar zeker niet onbedoeld – worden zo ook neveneffecten als een onbedorven creativiteit en een positief-nationalistische houding ingecalculeerd. Dus terwijl de PVV aan de ene kant met veel bombarie afstand neemt van ons ‘foute’ cultuurbeleid, maakt hij de geesten rijp voor belangrijke nationaalsocialistische thema’s. Als de partij ooit een serieus beleidsstuk over cultuurpolitiek aflevert, dan vrees ik dat de populistische cultuuragenda nogal wat overeenkomsten zal vertonen met het Duitse Volkstumpflege-beleid tijdens de bezettingsjaren.

De aanval van de PVV op cultuursubsidies is ook een aanval op de vormgevingscultuur van Nederland. Wie zich realiseert dat de recente bloei van onze vormgeving verbonden is met het cultuurbeleid zou zich zorgen moeten maken. Onderzoek van de BNO laat zien dat meer dan € 100 miljoen van de omzet van hun leden afkomstig uit de kunst- en cultuursector. Dat is veel geld, en het is vooral ruimte voor hoogwaardige, uitdagende opdrachten. Bovendien krijgen tientallen, vaak jonge, ontwerpers jaarlijks de kans om zich met individuele subsidies en projectsubsidies van cultuurfondsen inhoudelijk of internationaal te ontwikkelen. De resultaten en effecten van dit beleid zijn zonder overdrijving spectaculair te noemen. Met name omdat vormgevers juist datgene doen waar het volgens de PVV aan schort. Ze bereiken de top, zoals nu te zien is op de tentoonstelling Telling Tales in het V&A in Londen, én de vrije burger, bijvoorbeeld met de nieuwe Ikea-wandkleden van Hella Jongerius.

Het heeft er alle schijn van dat de PVV-ers door hun blinde woede op de ‘grachtengordel-elite’ de rijkdom van onze cultuur niet meer ervaren. Dat ze daarmee zichzelf te kort doen, is nog het minste probleem. Ernstiger is dat ze onder het mom van vrijheid en kwaliteit een pleidooi voeren voor beperking en vervlakking. En dat ze de schijntegenstelling tussen hoge en lage cultuur als feit presenteren, waardoor het immer aanwezige wantrouwen tegenover ‘de kunstenaar’ als buitenstaander weer wordt gevoed.

De PVV-meeuw staat symbool voor gedachtegoed dat niet zo positief en fris is als de parijleider wil doen geloven. Wie wat scherper kijkt, ervaart een gevoel van dreiging, zoals Adriaan Roland Holst dat beschrijft in zijn gedicht Winters (1976): “Bij helder winterweer reden de knapen/ de weg naar zee. Hoog te paard spraken zij / vrolijk en luid; zij waren rank geschapen/ en alom lag het leven vrij en blij / en in de verte riep de zee, de golven/ zongen, de meeuwen schreeuwden, welke vloot / belaagt ons strand, hoe werden meeuwen wolven,/ huilende wolven, en de zee de dood?”

Maak ik me te druk over een beeldmerk? Het is tenslotte maar een beeldmerk (en morgen hebben we weer een ander). Maar soms verschijnt een rood-wit-blauwe meeuw als een teken aan de wand. Dan is het zaak om goed op je tellen te passen.

Ik maak me zorgen over de brutaliteit van de PVV, maar even verontrustend is het gebrek aan weerwoord van de culturele sector. Te weinig realiseren we ons nog dat het cultuurbeleid een andere, ik zou bijna zeggen: offensieve, legitimatie nodig heeft om het populisme de baas te blijven, en om te behouden wat er de afgelopen negentig jaar voor vormgeving is opgebouwd (gerekend vanaf de PTT van Jean François van Royen). Ik denk daarom dat het meer dan ooit noodzakelijk is om de centrale positie van de populaire cultuur te benutten. Hoog en laag, wit en gekleurd, professional en amateur, cultuur en commercie, nationalisme en kosmopolitisme komen daar samen. Disciplines als design en mode, maar ook dans, film, fotografie, gaming en (pop)muziek, bieden de kansen om die uiteenlopende oriëntaties met elkaar te verbinden en productief te maken. Populaire cultuur als weermiddel tegen populisme – het is de hoogste tijd dat we daar werk van maken.

SYMBOLIC POLITICS

In 1991 I wrote a biography of the Philips brand, entitled De schuld van het schildembleem (‘The Guilt Behind the Shield’). In it, I sought to show that you could sometimes read a company’s history in its logo. But perhaps some logos can also tell us something about the future. I still believe that the decline of Ajax began with the commercial abstraction of the club’s old emblem, and that the aggressive restyling of the Shell symbol foreshadowed the first report by the Club of Rome. And thus, more and more I wonder what the Dutch Party for Freedom (PVV)’s red-white-and-blue seagull has to tell us.

The PVV’s logo dates from 2006, the year the party was founded. Its creator is unknown; the party’s leader refers to him or her only as ‘the designer’. This secrecy provokes curiosity. Did the designer insist on confidentiality, expecting trouble otherwise with colleagues and clients? Or is the seagull a homemade affair, drawn after hours by the leader himself or a fellow party member? If the designer fears problems, that’s a problem in itself. I think designers should be able to work for whomever they like, within the scope allowed by law. More than that, I think any designer should be able to work for any political party, because he or she should not engage with any particular movement but with multiparty democracy (like the attorney who engages not with a defendant but with the state). In other words, in our democracy the point is that that every party should be well enough designed for the citizens to be able to choose freely.

Either way, the design isn’t exactly a masterpiece. The seagull is crudely styled: the full-face angle of the head is infelicitously chosen, the blue wings are transplants from a pterodactyl, the red tail resembles nothing so much as the bend in a smoked sausage, the light on the body comes from the right while, oddly, the drop shadow under the bird also falls to the right. With more effort, “the designer” really could have done better.

The PVV probably wants us to see its logo as the Dutch counterpart of the French cockerel, with its red comb and breast and blue tail. Just as the cock represents French pride and fighting spirit, the seagull is meant to stand for Dutch freedom. There is one essential difference: the French cockerel appeals mainly to patriotism and the Dutch seagull to nationalism. The sensitivity that exists around those associations was made clear after a historian pointed out in the magazine Historisch Nieuwsblad that the NSB, the Dutch National Socialist party, had used a gull as a symbol for freedom and national unity in the 1930s and 1940s. as an illustration, he used a poster from 1941 (‘Do you want freedom or bondage? / Freedom: only with the NSB’). The party leader reacted as if stung by a wasp:

‘We simply asked for a fresh, positive logo, and the designer suggested this bird. Only a sick mind would think to link it to the fascist ideology of the 1930s. We don’t have anything to do with that, and we don’t want anything to do with it.’

I can understand perfectly well that the PVV would choose a fresh, positive seagull over a national-socialist one. But they lose their credibility when their culture spokesman himself evokes the NSB to shore up his argument against arts subsidies: ‘We’ve had arts subsidies for 65 years. For this we can thank a leftist political party, a socialist organisation, namely the NSB.’ Apart from the sloppy way the NSB is first branded fascist and then leftist, this argument is shaky in a number of ways. The culture spokesman is presumably referring to the establishment in 1942 of the NKR, or Dutch Cultural Council. In name, the NKR does indeed resemble today’s Council for Culture, but there the similarity ends. The NKR sought to make Dutch cultural life amenable to national-socialist ideology. Those in NSB circles were uneasy about the growing estrangement between artists and ‘the national community’. Emphasis therefore needed to be placed on themes like the connection with land and Volk, historical awareness, eradication of degenerate creativity, and a positive Germanic attitude.

In fact, the NKR embodies the politicisation of culture, while today’s Council for Culture stands for the political independence of subsidised culture. If the PVV consigns both the NKR’s model and the Council’s to the scrapheap of history, then what does it want?

The culture spokesman tells us:

‘The Party for Freedom is dedicated to a flourishing artistic life. Government interference does not contribute to that. It is better to give the citizens their own money back. (…) The best way of supporting the arts is through significant tax cuts. (…) I say: Get rid of collectivism, and long live the free citizen.’

With that, the PVV’s true colours are revealed. It wants to give art back to free citizens through the free market and thereby end the estrangement between artists and the national community. Side effects like untainted creativity and a positive nationalist attitude are factored in, not explicitly but certainly not unintentionally. So as the PVV distances itself with great fuss from our  ‘wrong-sided’ arts policy on the one hand, on the other, it softens us up for key national-socialist themes. If the party ever produces a serious cultural-political policy document, I fear that its populist agenda will show a marked similarity to the German policy of Volkstumpflege (preservation of ethnic culture) during the Occupation.

The PVV’s attack on arts subsidies is also an attack on Dutch design culture. Anyone who realises that the recent blossoming of design in our country is linked to its arts policy ought to be worried. Research by the Association of Dutch Designers has found that more than €100 million of its members’ income comes from the arts and culture sector. That’s a lot of money, and most of all, it represents room for high-quality, challenging assignments. In addition, dozens of designers each year, many of them young, are given the opportunity to develop internationally and intellectually through individual and project subsidies from cultural foundations. The results and effects of Dutch arts policy can, without exaggeration, be called spectacular. That’s because designers are achieving precisely that which the PVV claims is lacking. They are reaching the top, as we see in Telling Tales, the current exhibition at London’s V&A, and they’re reaching free citizens too, for example through Hella Jongerius’s new Ikea wall hangings.

There is every indication that their blind rage at the ‘canal-belt elite’ has blinded the PVV to the richness of our culture. That they are hereby shortchanging themselves is the least of our worries. More serious is that they are making a plea for limitation and dumbing-down in the name of freedom and quality, and presenting a false opposition between high and low culture as fact, stoking once again the ever-present mistrust of ‘the artist’ as an outsider.

The PVV’s seagull symbolises an ideology less positive and fresh than the party’s leader would like us to believe. A closer look provokes a feeling of menace, as described by the Dutch poet Adriaan Roland Holst in Winters ( ‘Chilling’): “In clear winter weather the fellows rode/ the path to the sea. High on horseback they spoke/ cheerful and loud; they were slim of build/ and all around life lay happy and free/ and in the distance the sea called, the waves/ sang, the seagulls screeched; which fleet/ assails our shore, how did seagulls become wolves,/ crying wolves, and the sea death?”

Am I too worried about a logo? After all, it’s just a logo (and there’ll be another one tomorrow). But sometimes when a red-white-and-blue seagull appears the writing is on the wall. And then it is best to be on guard.

I am concerned about the PVV’s nerve, but just as unsettling is the lack of response from the cultural sector. We too seldom realise that cultural policy must legitimise itself in a different – I would almost say offensive – way to keep the upper hand over populism, and to preserve what has been built up for design over the past 90 years (beginning with the Dutch PTT under Jean François van Royen). So I think that now more than ever it is time to make use of the central position of popular culture. It is the meeting place of high and low, of white and colour, professional and amateur, culture and commerce, nationalism and cosmopolitanism. Disciplines like design and fashion, but also dance, film, photography, games and music, offer an opportunity to connect all those diverse orientations and make them productive. Popular culture as a defence against populism – it’s high time we made that our goal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: