Koning Anthon/ King Anthon

Afbeelding: Met Anthon Beeke in een antieke Spijker/ 1993

Begin jaren ’90 werkte ik vier jaar met Anthon Beeke. Toen hij 65 werd, schreef ik deze tekst voor een liber amicorum. In de tussentijd verloren we elkaar uit het oog en kreeg hij een hersenbloeding, waarmee hij op een bewonderenswaardige manier leerde leven. Inmiddels spreken we elkaar weer met enige regelmaat en wat mij betreft met veel plezier.

PLEASE SCROLL DOWN FOR ENGLISH

Voordat Anthon mijn baas was, was hij mijn held. Ik zei dat ook wel eens tegen hem. }Anthon, als Piet Zwart Abe Lenstra was, dan ben jij Johan Cruyff.’ Dat soort vergelijkingen vond ie leuk. Soms zei hij zelfs wat aardigs terug. Ik zag hem voor het eerst tijdens mijn leerjaren op de Rietveld. Er was een AGI congres. Er wandelden Grote Namen door het schoolgebouw; ze lieten dia’s zien en vertelden daar verhalen bij. In mijn herinnering hield Anthon een Engels verhaal, zijn gebrek aan woordenkennis ruimschoots met flair en charme compenserend. Op de Rietveld leerde ik ook Marcel Hermans kennen, die als assistent bij Anthon werkte. Op mijn examenfeestje gaf hij me een paar proefomslagen voor Parelpockets, die op ‘de studio’ waren gemaakt. Mijn bewondering voor Anthon nam nog verder toe. Ik stuurde hem een briefje dat ik zijn aandacht voor pulp zo bijzonder vond.

Een jaar daarna was ik door mijn stipendiumgeld heen. Ik wilde een boekje schrijven over het Philips-merk en vond dat Anthon dat moest vormgeven. De uitgever maakte een afspraak. De eerste keer kwam hij niet opdagen (hij miste zijn vlucht uit Parijs). De tweede keer spraken we een lange avond over zijn werk. ‘Waarom kom je niet bij me werken?’ vroeg hij bij het afscheid. ‘Maar je hebt nog helemaal niets van me gezien’, sputterde ik tegen. ‘Dat komt later wel, zei hij. Kom nu maar maandag langs dan zetten we wat op papier.’

Wat volgde waren belevenissen met een rasontwerper, kwajongen en charmeur. En Amsterdammer niet te vergeten. Want veel van Anthon’s beste ontwerpen zijn Amsterdams. Daar kon hij mooi over vertellen. Mijn affiches, zei hij dan, die communiceren alleen in deze stad. In Den Haag of Rotterdam snappen ze het niet, om over Groningen maar te zwijgen. Dat had volgens hem met de Amsterdamse mentaliteit te maken: anti-autoritair, eigenzinnig en tegendraads. En inderdaad, Geert Mak’s Kleine geschiedenis van Amsterdam maakt over zijn werk veel duidelijk.

Ik interviewde Anthon voor het blad Affiche: Wanneer is een affiche gelukt?

‘Dat zijn vele momenten. Het is gelukt als ik het gevoel heb dat de gedachten die ik er in het gestoken er optimaal uit zijn gekomen. Het is ook gelukt als de mensen voor wie ik het gemaakt hebt, vinden dat het zo is want hun mening is doorslaggevend. Ze kijken iets anders dan ikzelf en m’n collega’s. En dan: wanneer het publiek er goed op reageert. Als er echt een reactie komt dan denk ik dat een affiche gelukt is, ongeacht het soort reactie.’

Betekent dat ook dat een goed affiche provoceert?

‘Nee, niet altijd, helemaal niet. Nee… nou eigenlijk wel. Er zit in ieder affiche dat ik maak iets provocerends. Ook ‘Vrijdag’, het portret van een tienjarig meisje, waar iedereen toch denkt: tjezus wat een stuk! Wat een prachtige meid! Door een hele kleine bewegingsonscherpte in het oog te zetten, waardoor er een soort geiligheid ontstaat bij dat kleine meisje, heeft het iets dat provoceert. Want men accepteert van zichzelf niet dat men op die manier reageert. Het is meer de reactie die in je zit, dan wat het beeld op zichzelf betekent.’

Anthon spiegelt zich in het affiche. Zijn fysieke gestalte vraagt om A0 en groter, zoals de bouw van sommige schilders om grote schilderijen vraagt. Maar zijn fysieke relatie tot affiches is niet beperkt tot hun formaat. In ons interview zegt hij: ‘Ik ben met dat menselijk lichaam altijd wel bezig geweest. Ik vind dat lichaam fascinerend en het inspireert mij als ik daarmee bezig ben – niet erotisch, maar het zweept mij op tot ideeën. Het is een sterk communicatiemiddel. Iedereen weet wat een hand, voet, buik of neus betekent. Dus als je door middel van het lichaam probeert te spreken, kan iedereen dat begrijpen. Taal valt dan weg, cultuur niet.’ Dat is een mooi antwoord, maar de grootmeester draait er ook omheen. Allereerst om de erotiek, dat zijn belangrijkste thema is, vervolgens om de lichamelijkheid waarmee hij werkt. Daarin schuilt een deel van zijn kracht. Anthon’s beste affiches, maar ook beeldmerken en postzegels, spreken zijn lichaamstaal. Ze zijn even intuïtief als direct. Ze treffen de toeschouwer voordat hij zich met begrip kan verweren.

Op die manier is Anthon’s werk misschien ook autobiografisch. Ik herinner me het affiche voor Count your blessings waarvoor hij een foto van zijn moeder gebruikte. Het affiche is een uitvergroot bidprentje: ze was kort daarvoor overleden. Het vat haar levensloop samen in het roken van een filtersigaret. Het is door de tedere manier van kijken een blijk van liefde waarvoor Anthon misschien nooit de juiste woorden vond.

In mijn eerste weken werkte Anthon met Wim Beeren aan de tentoonstelling Energieën. Beeren heeft weinig waardering gekregen voor zijn jaren in het Stedelijk Museum. Toch verbeeld ik me dat de geest van Sandberg toen glimlachend door de zalen zweefde. Voor Energieën (met Kiefer, Koolhaas, Koons en anderen) werd het museum zo’n beetje verbouwd. Anthon deed de vormgeving – van gevel tot catalogus. Allereerst moest er een logo komen. Hij maakte met scherfachtige letters in een samenspel van vorm en contravorm het woord ‘ENERGIEËN’. Het moest in spiegelende vlakken op de gevel komen te hangen. Beeren zag dat anders. Hij raakte niet overtuigd, dus werkten we dagenlang aan alternatieven. Ik tekende een Neville Brody-achtig woordmerk in hoofdletters. Alleen de e’s waren uitvergrote kleine letters, die samen met de G aan de wielen van een locomotief deden denken. Door e’s en G onderling te verdraaien kwam er beweging in het woord. Anthon vond het maar niks – hij heeft nog steeds weinig op met typografische modes – maar Beeren was enthousiast. De maquette van het spiegelwoord verdween in de vensterbank, de locomotief moest verder worden uitgewerkt. Anthon vertimmerde de letters, maakte ze ruw om iedere associatie met Brody’s computertypografie te vermijden. Hij plaatste ze in donkerblauw op een felgele ondergrond. Het eerste resultaat van onze samenwerking was oogverblindend.

Opdrachtgevers leerden mij al snel: Anthon, dat is Koning Anthon. Even indrukwekkend als Koning Qu’Afer van Salmagundië, voor wie hij ooit model stond in een postzegelboekje. De studio aan het Hortusplantsoen was zijn paleis, wij (met inbegrip van Carla die wekelijks zijn appartement schoon maakte) waren zijn hofhouding. Onderaan de hiërarchische ladder stonden de stagaires. Ze kwamen van heinde en verre. Hun dagen vulden zich met werktekenen, koffiezetten, klaarzetten van de lunch, en wegbrengen en ophalen van fotorolletjes. Soms ging Anthon quasi-geïnteresseerd naast een stagaire zitten. Hij keek van het papier in zijn of haar onzekere ogen en zei dan plagerig: Ja, ontwerpen is ook nadenken. Een tree hoger stond Anthon’s secretaresse. Dat zal ze zelf niet altijd zo gevoeld hebben – ze bleef zelden langer dan zes maanden. Daar weer boven stond de DTP-er/ werktekenaar, met de voorname taak om onmogelijke deadlines te halen. Vervolgens kwam Anthon’s assistent, en daarna (maar dan zijn we nog niet halverwege) kwam ik. Bovenaan, omlijst door zonverlichte wolken, stond Anthon zelf. Het heeft me vier jaar gekost om te ontdekken dat de bovenste helft van de ladder voor gewone stervelingen onbegaanbaar was.

Anthon leerde me hoe je je vliegtuig mist. Vertrek te laat van huis – of van je hotel. Keer halverwege nog even terug omdat je iets (paspoort, tickets, schetsontwerpen, werktekeningen) vergeten bent. De rest gaat vanzelf. Zo misten we op een ochtend onze vlucht van Parijs naar Amsterdam. We waren met z’n drieën, maar wie de derde was kan ik me niet herinneren. Wel dat we ter plekke besloten om een auto te huren. Zo konden we toch in de vroege middag op de studio zijn. De derde stuurde, Anthon en ik zaten achterin. We werkten de hele reis aan een serie boekomslagen. Ik legde uit waar de titel over ging, Anthon maakte kriebelige schetsjes. We kwamen bij een boek dat Lijfstijl heette. ‘Lijfstijl’, zei Anthon. ‘Wat is lijfstijl? Dat is een man die zijn hoed afneemt en daaronder heeft ie nog een hoed. Zoiets.’ Hij maakte een tekeningetje. Ik begreep er weinig van. Maar hij was overtuigd en enthousiast – een onweerstaanbare mengeling. Het idee bereikte ongeschonden de boekhandel. Bij de presentatie in de Bijenkorf droeg Anthon een gele sjaal. Ik zag op afstand hoe hij voor de camera werd geïnterviewd. ‘Geel is het zwart van de jaren ‘90’, zei hij glimlachend in de lens.

De studio aan het Hortusplantsoen was een pakhuis dat langzaam scheef zakte. Kelder, gelijkvloers en eerste verdieping waren werkruimte. Anthon bewoonde zelf de bovenste verdieping. Toen bleek dat het hellende huis niet meer te redden was, werden plannen gemaakt voor nieuwbouw. Ik hoorde gespreksflarden, maar kon niet geloven dat het zo ver zou komen. Op een avond, jaren nadat ik Anthon en Amsterdam verlaten had, wandelde ik weer die kant op. Het huis was verdwenen, er lag alleen nog wat puin. Het is voorbij, dacht ik. Ik schrok. Ik hield van die studio. We hadden er zoveel dingen bedacht en gemaakt, ruzies gehad, feesten gevierd. Ik had er voor het eerst begrepen wat ontwerpen is (en dat ik geen ontwerper zou zijn). Ik had er mijn lieve vrouw ontmoet… Door de schrik bleef ik even staan, toen liep ik door.

Maar wat is voorbij? Ik kom Anthon gelukkig nog steeds tegen. Als een zwarte jazzmuzikant groeit hij langzaam in zichzelf (Charlie Parker, zijn eigen held, werd niet oud genoeg om dat mee te maken). Hij hoeft niets meer te bewijzen, cijfert zichzelf soms meesterlijk weg. Kijk naar de Bruna-achtige vormgeving voor de Design Academy. Zijn werk is laconieker geworden, melodieuzer misschien.

Een van de dierbare momenten met z’n tweeën: we spraken op de studio over prijzen. Anthon won er altijd veel. Zo veel dat hij ze soms vergat op te halen. ‘Mijn mooiste prijs’, zei hij. ‘Mijn mooiste prijs dat was de beker die we wonnen met schoolvoetbal. Ik ben nooit meer zo trots geweest.’

KING ANTHON

Before Anthon was my boss, he was my hero. I even said that to him occasionally. ‘Anthon, if Piet Zwart was post-war Dutch soccer hero Abe Lenstra, then you’re Johan Cruyff.’ He enjoyed comparisons like that. Sometimes he even said something nice in return. I first saw him when I was studying at the Rietveld Academy. There was an AGI Congress. Bog celebrities strolled around the school; they showed slides and told stories to go with them. As far as I remember, Anthon told a story in English, more than compensating for his lack of vocabulary with flair and charm. At the Rietveld Academy, I also met Marcel Hermans, who worked as an assistant to Anthon. At my graduation party, he gave me a couple of proof covers for Parel pockets that were made at ‘the studio’. My admiration for Anthon increased even more. I sent him a note that I thought his attention for pulp fiction was so special.

One year later, I had used up my grant money. I wanted to write a book about the Philips brand and thought that Anthon should design it. The publisher made an appointment. The first time he didn’t turn up (he missed his flight from Paris). The second time, we spend a long evening talking about his work. ‘Why don’t you come work for me?’ he asked as we said goodbye. ‘But you haven’t seen any of my work,’ I spluttered a protest. ‘We’ll see about that later,’ he said. ‘Drop by on Monday and we’ll put some things down on paper.’

What followed were adventures with a pedigree designer, rascal and charmer. And an Amsterdammer of course. Because many of Anthon’s best designs are pure Amsterdam. He had wonderful tales to tell. ‘My posters,’ he would say, ‘only communicate in this city. In The Hague or Rotterdam, they don’t understand them, let alone in Groningen.’ He considered that was a question of the Amsterdam mentality: anti-authoritarian, idiosyncratic and recalcitrant. And indeed, Geert Mak’s Minor History of Amsterdam reveals a lot about his work.

I interviewed Anthon for the magazine Affiche: When is a poster successful?

‘There are many moments. Its successful if you have the feeling that the thought you put into it is clear in an ideal way. It’s also successful when the people I made it for think so, because their opinion is decisive. They have a different perspective from me and my colleagues. And then: when the general public reacts well to it. If there’s a real reaction, then I think a poster is successful, whatever the reaction.’

Does that mean that a good poster should be provocative?

‘No, not always, not at all. No… well in a way. Every poster I make has a provocative element. Even ‘Friday’, the portrait of a girl aged 10, where everyone thinks: ‘Wow, what a nice chick! What a pretty girl!’ By adding a trace of movement sharpness in the eye, giving that little girl a kind of lechery, and it has a provocative element. Because people do not accept that they react in that way. It’s more the reaction inside you than what the image means on its own.’

Anthon reflects himself in the poster. His physical form demands A0 and larger, just as the build of some painters asks for large paintings. But his physical relationship to posters is not limited to their format. In our interview he says: ‘I have always been fascinated by the human body. I find the body fascinating and it inspires me to work with it – not erotically but it stimulates me to ideas. It’s a powerful means of communication. Everyone knows what a hand, foot, belly or nose means. So if you try to speak through the body, anyone can understand it. Language fades, culture doesn’t.’ That’s a beautiful answer, but the maestro beats about the bush. Firstly about eroticism, which is his most important theme, and then about the physicality he works with. That is the root of part of his power. Anthon’s best posters, and also logos and postage stamps, speak his body language. They are just as intuitive as direct. They hit the viewer before he can resist with understanding.

In this way, Anthon’s work may well be autobiographical. I remember the poster for Count your Blessings for which he used a photo of his mother. The poster is an enlarged devotional picture: she had just died. It summarises her life in smoking a filter cigarette. Through its tender way of looking, it also reveals the love for which Anthon may never have found the right words.

In my first weeks, Anthon was working with Wim Beeren on the exhibition ‘Energies’. Beeren is not highly regarded for his years at the Stedelijk Museum. Yet I imagine the spirit of Sandberg floating through the rooms smiling. For Energies (with Kiefer, Koolhaas, Koons among others) the museum was altered a little. Anthon was responsible for the design – from facade to catalogue. Firstly he needed a logo. He used splintered letters in an ensemble of form and counter-form to make the word ‘ENERGIES’. It had to hang on the facade in mirrored surfaces. Beeren saw things differently. He was not convinced, so we spent days working on alternatives. I drew a Neville Brody-like wordmark in capitals. Only the e’s were enlarged lowercase letters that with the G were reminiscent of the wheels of locomotive. By turning the e’s and G relatively to each other, the word stated to display movement. Anthon didn’t think much of it – he is still not interested in typographical fashion – but Beeren was enthusiastic. The model of the mirror word was relegated to the windowsill, the locomotive had to be worked out. Anthon crafted the letters, made them coarse to avoid any association with Brody’s computer typography. He placed them in dark blue on a bright yellow background. The first result of our cooperation was blinding.

Clients soon taught me: Anthon, that is King Anthon. Just as impressive as King Qu’Afer of Salmagundia, for whom he once modelled in the postage stamp booklet. The studio on Hortusplantsoen was his palace, we (including Carla who cleaned his apartment every week) were his court. At the bottom of the hierarchical ladder were the work-placement students. They came from far and wide. They filled their days with working drawings, making coffee, pleparing lunch and to-ing and fro-ing with rolls of film. Sometimes Anthon sat down beside a work-placement students and feigned interest. He looked up from the paper into the uncertain eyes of the student and said teasingly: ‘Yes, design also involves thought.’ One step higher was Anthon’s secretary. She won’t always have thought so herself – they rarely stayed longer than six months. Above the secretary was the DTP worker / layout artist, with the primary task of the meeting impossible deadlines. Then came Anthon’s assistant and then (but we aren’t even halfway yet) came me. At the top, surrounded by sunlit clouds, was Anthon himself. It took me for years to discover that the top half of the ladder was unscalable for mere mortals.

Anthon taught me how to miss a flight. First you leave home or the hotel too late. Then turn back halfway because you forgot something (passport, tickets, sketches, artwork). The rest is easy as pie. For instance, one morning we missed our flight from Paris to Amsterdam. There were three of us, but I can’t remember who the third person was. I do remember we decided on the spot to rent a car. That way we could be in the studio by early afternoon. The third person drove, Anthon and I sat in the back. And we worked all the way on a series of book covers. I explained what the title was about, Anthon made squiggly drawings. We came to a book called Lifestyle. ‘Lifestyle,’ said Anthon. ‘What is lifestyle? That a man who takes off his hat and there’s another one underneath it. Something like that.’ He made a sketch. I didn’t understand very much. But he was convinced and enthusiastic – an irresistible combination. The idea reached the bookshops untarnished. At the presentation in the Bijenkorf Department Store, Anthon wore a yellow scarf. I saw from a distance how he was interviewed in front of the camera. ‘Yellow is the black of the 1990s,’ he said, smiling into the camera.

The studio on Hortusplantsoen was an old warehouse that was slowly tilting sideways. Cellar, ground floor and first floor were workspace. Anthon himself lived on the top floor. When it was apparent that the tilting house could no longer be saved, plans were made for the new building. I heard fragments of conversation, but couldn’t believe it would ever happen. One evening, years after I had left Anthon and Amsterdam, I happened to stroll that way. The house had gone, there was only a pile of debris. It’s all over, I thought. I was shocked. I loved that studio. We had conceived and made so many things there, quarrelled and partied. The first time I had understood what design was (and that I would never become a designer). I had met my beloved wife there… the shock made me stop, but then I walked on.

But what is past? Fortunately I still come across Anthon. Like a black jazz musician, he gradually grows in himself (Charlie Parker, his own hero, did not grow old enough to go through that). He doesn’t have to prove anything any more, occasionally sets himself aside with a masterful twirl. Look at the Bruna-esque design for the Design Academy. His work has become more laconic and possibly melodious.

One of the precious moments together: we were talking at the studio about prizes. Anthon always won a lot of them. So many that he sometimes forgot to pick them up. ‘My most beautiful prize,’ he said. ‘My most beautiful prize was the cup we won at school soccer. I’ve never been so proud since.’

Eén reactie

  1. Marcel Hermans

    Bedankt voor deze mooie tekst Dingeman. Andere tijden…
    Groet, Marcel H.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: