Maar het moet er wel toe doen (1)

Afbeelding: George Bailey in It’s a Wonderful Life

* * *

In 2009-2010 maakte ik dit interview met Jan Tichelaar, gebaseerd op een tweetal lange gesprekken in café-restaurant ‘De Vestibule’ in Alkmaar. Het verscheen in Represent Koninklijke Tichelaar Makkum, een boek over de opzienbarende revitalisering van dit eeuwenoude familiebedrijf.

* * *

Makkum ligt niet aan het einde van de wereld, maar het ligt er ook niet middenin. In de Gouden Eeuw bloeide Makkum op door handel en industrie, daarna verzandde de Zuiderzee en werd de haven onbereikbaar voor grote schepen. Toen in de vorige eeuw de Afsluitdijk en het toerisme het isolement verbraken, bleef Makkum onverstoorbaar. Ook vandaag heerst er nog een nostalgisch gevoel van kalmte.

Makkum is de Nederlandse, of liever Friese, variant van Bedford Falls, het denkbeeldige stadje uit It’s a wonderful life van regisseur Frank Capra. Aan de ene kant is deze kerstfilm een didactische nachtmerrie, waarin George Bailey (gespeeld door James Stewart) beleeft wat er van Bedfort Falls geworden zou zijn, als hij niet geboren was. Verbijsterd loopt hij door een gemoderniseerde stad, waarin commercie en cynisme hand in hand gaan. Aan de andere kant is de film een sprookje, onder het motto ‘wie goed doet, goed ontmoet’. Daarin schetst Capra een ideaalbeeld van een naoorlogse Amerikaanse samenleving die wordt gedragen door blijmoedige saamhorigheid.

Je moet dit type vergelijkingen niet te ver doortrekken, maar ook de overeenkomsten tussen de Bailey Building and Loan Association en Koninklijke Tichelaar, en George Bailey en Jan Tichelaar zijn veelzeggend. Los van het verbindende dynastieke thema maken beide bedrijven hun economisch belang ondergeschikt aan hun gevoel voor maatschappelijke en, in het geval van Tichelaar, culturele verantwoordelijkheid. George Bailey en Jan Tichelaar hebben uiterlijk wel iets van elkaar weg, maar ze delen vooral hun enthousiasme.

It’s a wonderful life en Koninklijke Tichelaar roepen een aanstekelijk optimisme op. Misschien wel tegen beter weten in doen ze je geloven dat er een alternatief is voor de problematische, moderne wereld. Maar terwijl It’s a wonderful life een verhaal is, is het verhaal van Koninklijke Tichelaar echt gebeurd.

Sinds 1572 wordt er in Makkum klei gebakken, eerst alleen bakstenen en vanaf 1670 gebruiksaardewerk. Later kwam daar sieraardewerk bij, dat na 1890 de boventoon ging voeren. Een voorlopig hoogtepunt in de ontwikkeling en productie van sieraardewerk vormen de vier bloempiramides, ontworpen door Jurgen Bey, Hella Jongerius, Alexander van Slobbe en Studio Job. Recent werden de activiteiten uitgebreid met keramiek voor bijzondere architectuurprojecten. Twaalf keer volgde bij Koninklijke Tichelaar een zoon zijn vader op, al was dat de laatste keer niet vanzelfsprekend.

Jan Tichelaar: Mijn vader heeft ooit besloten: Jan gaat niet bedrijf in. Het was niet zo dat ik het bedrijf niet in mocht, het was gewoon een non-issue. Als ik het vroeg, zei hij: joh, dat is niets voor jou.
IK: Was dat geen manier om je uit te dagen?
JT: Nee, mijn opa heeft echt op mijn vader gewacht, heel geduldig. Mijn vader heeft lang over zijn studie gedaan. Hij deed allemaal andere dingen, maar op een gegeven moment voelde hij zich gedwongen om terug te gaan, want opa wachtte nog steeds. Dat wilde hij bij mij anders doen, heeft hij me verteld. In 1989 heb ik uiteindelijk zelf besloten om naar Makkum te gaan, zonder druk van buiten. Maar ik wilde geen voorkeursbehandeling. Om het bedrijf te leren kennen ben ik begonnen als productieleider. Het duurde een paar jaar voordat ik benoemd werd tot directeur.
IK: Als je Koninklijke Tichelaar ziet als een kostbare vaas die de vorige generaties aan elkaar hebben doorgegeven, was je dan niet bang om die uit je handen te laten vallen?
JT: Ik had het voordeel dat het bedrijf er in het begin beroerd voor stond. Eigenlijk was alles slecht. We maakten nauwelijks winst, maar de balans was nog redelijk. We hadden een waanzinnige voorraad en problemen met onze dealers. Het werd elk jaar slechter, de hele staat van het bedrijf. Daardoor heb ik er goed over kunnen nadenken hoe ik het zelf zou willen, los van wat het bedrijf geworden was. Toen heb ik een analyse gemaakt en de conclusie getrokken dat het niet gaat over het product, het merk of wat dan ook. Het gaat om wat onze mensen in hun vingers hebben en om de kennis die we hebben opgebouwd. Dat betekent dat we daarop alles gaan inrichten, maar dan ook alles. En dat je niet meer in producten denkt, nooit. Toen heb ik gezegd, we moeten nu eerst een uitverkoop organiseren. Dat was voor mezelf, maar vooral voor de medewerkers en de dealers – wat daar nog van over was – een duidelijk signaal. Dat was het point of no return. Daarna hadden we weer wat geld en konden we beginnen met investeren.
IK: Als je teruggaat in de geschiedenis hebben jullie vaker eigenzinnige keuzes gemaakt. Toen de industrialisatie begon, gingen jullie geen gebruiksaardewerk maken maar sieraardewerk.
JT: Mijn vader zegt altijd dat mijn betovergrootvader een vooruitziende blik had. Hij zag een hernieuwde belangstelling voor Delfts aardewerk, dat toen al tweehonderd jaar oud was. Dat hij daarom dacht, als iedereen overgaat op die techniek voor vaatwerk, dan ga ik sieraardewerk maken en geen gebruiksaardewerk. Maar het zou ook heel anders gebeurd kunnen zijn: gewoon, omdat hij het alternatief niet aandurfde.
IK: Begon hij met het maken van sieraardewerk of was dat er al?
JT: Er was sieraardewerk op commissiebasis. Er werden wel mooie dingen gemaakt in opdracht, maar de bulk bestond uit dikwandige grove schotels voor dagelijks gebruik. Van 1680 tot 1880 waren dat soort schotels en tegels de hoofdproducten. In 1890 besloot mijn betovergrootvader om een catalogus te laten drukken en naar de wereldtentoonstelling in Parijs te gaan om daar zijn assortiment te laten zien. Meer dan honderd jaar geleden. Dat heeft geleid tot wat tien jaar geleden nog steeds de kern het bedrijf was.
IK: Toen moest jij opnieuw de koers uitzetten. Waarom koos je voor het ambacht?
JT: Omdat ik vond én vind dat ik daarmee de belangrijkste stakeholders van het bedrijf – medewerkers, aandeelhouders en de rest – het beste kan bedienen. Het is voor mij onbestaanbaar dat ik iets anders zou kiezen. Als ik onze kennis en vaardigheden weet te continueren, doe ik wat er van me gevraagd wordt. Tenzij de aandeelhouders elk jaar dividend willen krijgen. Als dat zo zou zijn, moet er een andere keuze worden gemaakt, dat heb ik ze ook uitgelegd. Dan moet ik wel outsourcen en het merk boosten, en ga ik gewoon de mode achterna. Hoe het gemaakt wordt, is dan niet meer relevant. Dan wordt het alleen nog een kwestie van geld verdienen. Dan krijg je hier een showroom-achtig iets, misschien wel een experience. Maar ik geloof daar niet in. Ik geloof niet dat dat een waarborg is voor continuïteit.
IK: Zie je het bedrijf als een landgoed, dat je moet beheren en dat relevant moet blijven in de tijd?
JT: Dat je moet laten bloeien. Ik wil niet dat het een soort museum wordt, een open atelier waar je alleen maar naar kunt kijken. Ik wil niet beoordeeld worden als een museumdirecteur maar als een ondernemer. Alleen de kaders waarbinnen ik beoordeeld moet worden, zijn hier anders. De universele meetlat is vaak geld en dan is al het andere daaraan ondergeschikt. Ik gebruik een andere meetlat, die ook te maken heeft geld, maar vooral met kennis, ambacht, kwaliteit en met de mensen die hier werken.
IK: Wat heeft jouw keuze betekend voor het bedrijf?
JT: We hebben nu een bedrijf met twee onderdelen: consumentenproducten, als de basis van onze
keramische kennis, en architectuurprojecten, waarmee we die kennis breder inzetbaar maken. We hebben de consumentencollectie opgeschoond. Alle vervuilingen uit de jaren ’60, ’70 en ’80 hebben we eruit gehaald. De collectie is daardoor gehalveerd, maar dat valt eigenlijk niet op, want die was heel breed. En we hebben de collectie en aangevuld met nieuwe, hedendaags vormgegeven producten. Waarbij we hebben geleerd om eerst zelf na te denken waarin we geïnteresseerd zijn en daar dan vervolgens een ontwerper bij te vragen. We zijn geen uitgever van de ideeën van iemand anders.
De architectuurprojecten vind ik minstens even interessant, omdat het een grotere wereld is. Het is een andere schaal waarop je werkt. Door wat we de afgelopen jaren hebben gedaan, hebben we ook de echt goede architecten aangeraakt. We hebben de buitenbekleding van het nieuwe Museum of Arts & Design geproduceerd. Dat was een moeilijk project, waar andere bedrijven op stuk waren gelopen. Maar het is nu wel ons visitekaartje in New York. Voor de Stadsschouwburg in Haarlem maakten we voor de restauratie reproducties van het originele bouwkeramiek. En samen met Erick van Egeraat en Babs Haenen ontwikkelden we ornamenttegels voor de nieuwe toneeltoren. Dat is nu het eerste keer gebouw waarvan gevelbekleding in porselein is uitgevoerd. En we deden al drie ontwikkeltrajecten voor Herzog & de Meuron, dus met hen lukt het ook nog wel een keer.
IK: Je noemde ambacht de kern van het bedrijf, maar is dat niet eerder kunstnijverheid?
JT: Ambacht is natuurlijk een voortschrijdend ding. Als we machines uit de jaren ’50 opnieuw in gebruik nemen, dan heeft dat ook met ambacht te maken. Je moet bijvoorbeeld mallen maken, dat is allemaal best ingewikkeld. Op een gegeven moment kwamen daar hele diepe reliëfs uit. Toen dacht ik meteen aan Studio Job. Dat werd de Biscuit-serie, dat was een een-tweetje. Maar misschien is dat wel kunstnijverheid, ik weet niet precies wat het verschil is.
IK Hoe kwam je op het idee om nieuwe bloempiramides te maken?
JT: Wij zijn een aantal jaren geleden gevraagd door het Rijksmuseum om een restauratie uit te voeren. Eigenlijk het weer compleet maken van twee aangekochte bloempiramides uit 1695, gemaakt door de Grieksche A. Dat was een bedrijfje in Delft dat eind 17e eeuw, begin 18e eeuw naast gewoon gebruiksaardewerk ook pronkstukken maakte. Ze kregen ook opdrachten van koning-stadhouder Willem III en Mary Stewart. Twee van die stukken had het Rijksmuseum aangekocht en daaraan misten vijf segmenten. Elke piramide heeft elf segmenten, een hele grote onderbak, negen steeds kleinere vierkante bakjes, en eindigt met een borstbeeldje van Mary. Die zijn bedoeld om een zo groot mogelijke verscheidenheid aan bloemen te laten zien. Puur, puur pronkwerk in het kwadraat. Het was ook de tijd dat hele kaptafels in zilver werden gemaakt. Ik heb wel begrepen van een kunsthistoricus dat dat vijfentwintig jaar later helemaal voorbij was.
IK: Waarom was het in een keer voorbij?
JT: Dat weet ik niet, het gebeurde in heel West Europa. In ieder geval wordt de piek van die hype gesymboliseerd door deze bloempiramides en er misten vijf etages. Het Rijksmuseum vroeg ons om die erbij te maken, helemaal passend in stijl, kleur, noem maar op. Dat werd ons gevraagd omdat wij wel eerder restauraties hebben gedaan, aanvankelijk van tableaus en later ook wel van faience. Maar dit was van die enorme kwaliteit die was ontwikkeld door dat bedrijfje in Delft, met aanvankelijk als doel om geïmporteerd oosters porselein te imiteren. En pas later, maar nog wel in diezelfde periode, heeft dat zijn eigen waarde en zijn eigen waardering gekregen. Anders hadden die koningshuizen toen alleen maar oosters porselein gekocht.
IK: Je vertelde eerder dat jullie in de zeventiende eeuw vooral grof aardewerk maakten.
JT: We maakten tegels en grof gedecoreerde schotels en soms wel eens een pronkstuk, bijvoorbeeld een hele mooie chocoladeketel. We konden het volgens mij wel, maar we waren er niet op ingericht.
IK: Met een tijdsinterval van vierhonderd jaar gingen jullie dus alsnog de concurrentie aan met de Grieksche A.
JT: We hebben er twee jaar over gedaan om die kwaliteit te evenaren. Dat heeft te maken met een hele hoop dingen. Zij konden bijvoorbeeld heel goed het contourlijntje zo schilderen dat de donkere lijntjes bleven staan en de invulkleuren helemaal gingen vloeien – dat is heel moeilijk. Of ze gaan allebei vloeien of allebei niet. We kregen in de gaten dat je de recepten anders moest aanmaken. Zo hebben we die ontbrekende stukken erbij gemaakt en waren de bloempiramides weer compleet. En dan weet je precies hoe het moet, heb je er twee jaar op gestudeerd en vervolgens is het klaar. Dus ik had een paar jaar geleden al gevraagd, als er een gelegenheid is, zouden wij dan een reproductie mogen maken. We kregen niet echt een duidelijk antwoord. Maar die vraag speelde al in mijn achterhoofd. Dat is dus één reden om bloempiramides te maken: als je iets geleerd hebt, wil je dat breder inzetten – niet zozeer exploiteren, maar vanuit het gevoel dat als je iets goed kan, je het ook moet doen.

Lees verder op ‘Maar het moet er wel toe doen (2)’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: