Van vroeg tot laat/ Early to Late

Image: Zonder titel/ Untitled, 2016 (detail)

* * *

Deze tekst werd gepubliceerd in Van vroeg tot laat, uitgegeven door TORCH Books, Amsterdam ter gelegenheid van de tentoonstelling Van vroeg tot laat – De voorstellingen van Teun Hocks in Stedelijk Museum Breda.

This text was published in Early to Late, published by TORCH Books, Amsterdam at the occasion of the exhibition From Early to Late – The Staged Images of Teun Hocks in Stedelijk Museum Breda (Municipal Museum Breda).

PLEASE SCROLL DOWN FOR ENGLISH

* * *

Het werk van Teun Hocks bestaat uit scènes. Zijn foto-schilderijen lijken op fragmenten van verhalen waarvan het verloop en de afloop onzeker zijn. Ze hebben een hechte relatie met de wereld van de speelfilm, maar ook het theater is nooit ver weg. Hocks voelt zich verwant met Buster Keaton en Charlie Chaplin. Over de laatste noteert de filmtheoreticus André Bazin: “Ook bij Chaplin is het duidelijk dat hij, zelfs afgezien van wat hij overgenomen heeft van de Engelse mime, met behulp van de film de komische technieken van het variété probeert te perfectioneren. Hier overtreft de film het theater, maar door het voort te zetten en er de onvolkomenheden van op te heffen.”

Tedere humor

Keaton en Chaplin vormden ook de inspiratie voor Jerry Lewis, Jacques Tati en Pierre Etaix. Deze makers van slapstickfilms deden zoveel mogelijk zelf: schrijven, ontwerpen, regisseren en acteren. Van hen is Etaix het minst bekend. Hij werkt in 1953 als illustrator, cartoonist en cabaretier in Parijs, als Tati hem overhaalt om mee te werken aan de productie van Mon Oncle (1958). Etaix schrijft grappen, maakt storyboards, assisteert bij de regie en speelt een anonieme bijrol. Daarna maakt hij ook eigen films, waaronder Le Soupirant(1962) en Yoyo (1965). Jerry Lewis verklaarde dat hij twee keer in zijn leven begreep wat genialiteit betekende: de eerste keer toen hij de definitie opzocht in het woordenboek, de tweede keer toen hij kennis maakte met Pierre Etaix. The New Yorker schreef over hem: “Zijn humor is teder en vol mededogen, maar biedt geen uitweg – zijn droefgeestige charme kristalliseert zich snel uit in de vlijmscherpe hoeken en randen van frustratie, spot en wanhoop.”

Net als Etaix is Hocks een originele en veelzijdige auteur van slapstickfilms. Alleen draaien de films van Hocks niet in een bioscoopzaal. Ze bestaan in de vorm van losse schetsen en ‘ongetitelde’ film stills – en in de verbeelding van de kijker.

Open karakter

De fotograaf van film stills legt decors, kostuums en andere details vast om te voorkomen dat er tijdens de productie vergissingen worden gemaakt. Daarnaast vertaalt de fotograaf de film in een soort ‘tableaux vivants’: beelden van afzonderlijke scènes, bedoeld voor promotie. De betekenis van de film still is vaak dubbelzinnig. Het beeld suggereert een verhaal, maar geeft geen context of nadere duiding.

Eind jaren 70 wordt de kunstenaar Cindy Sherman bekend door de fotoserie Untitled Film Stills. Sherman maakt foto’s die verwijzen naar uiteenlopende filmgenres, steeds met zichzelf in de hoofdrol. Met de serie roept ze vragen op over individualiteit en vrouwelijke rolmodellen. Het open, associatieve karakter van de film still versterkt de wisselwerking tussen de afzonderlijke foto’s.

Sherman en Hocks hanteren in hun fotografische beelden een verschillend perspectief: de een postmodernistisch en maatschappijkritisch, de ander ‘premodernistisch’ en apolitiek. En in tegenstelling tot Sherman beperkt Hocks zich tot één filmgenre: de slapstickfilm. Toch zijn er ook overeenkomsten. Beide kunstenaars verkennen de onzekere betekenis van de film still en reflecteren op identiteit en individualiteit. De stereotype vrouwenrollen van Sherman worden bij Hocks gespiegeld door een kleine familie van (mannelijke) alter ego’s.

Verwondering

Bij de Untitled Film Stillsvan Sherman tekent de verbindende thematiek zich duidelijker af dan bij het verzamelde werk van Hocks. Zijn thema’s worden makkelijk verward met zijn beeldende idioom, waardoor de diepere lagen aan de aandacht ontsnappen. Zijn werk ademt de sfeer van de verloren wereld van het reizende circus en het variététheater. Maar wie daar doorheen kijkt, ziet scherpe kritiek op de moderniteit en het idee dat mensen zich nuttig moeten maken. Samen met Keaton, Chaplin, Lewis, Tati en Etaix voert Hocks een pleidooi voor speelsheid en verwondering.

De onmiskenbare melancholie van zijn werk is daarmee nauw verwant. Door het grijze kostuum van zijn personages schemeren nog de kleuren van hun kindertijd. In Untitled uit 1994 krijgt de weemoed een Ensoriaanse allure. De man in regenjas spiegelt zich in de nachtelijke etalage van een feestwinkel. Tussen de maskers ziet hij zijn vermoeide gezicht onder een feestmuts, als de herinnering aan de dagen dat hij iets te vieren had.

Onbedoelde situaties

De kritiek van Hocks richt zich ook op het verhaal als metafoor voor het leven en de geschiedenis. Door losse gebeurtenissen met een tijdslijn aan elkaar te rijgen, ontstaat de suggestie van oorzaak en gevolg. Dat mechanisme wordt door Hocks op een tragikomische manier ontwricht. Zijn voorstellingen trekken zich weinig aan van de logische werkelijkheid. In weerwil van hun perfectionistische uitvoering zijn het in wezen improvisaties in de trant van de Fluxus-beweging. De personages van Hocks bevinden zich meestal in onbedoelde situaties, waarin de menselijke rede tot stilstand komt.

Ook zijn omvangrijke oeuvre laat zich niet lezen als een chronologisch verhaal. Op basis van de datering (en de leeftijd van de kunstenaar-acteur) bestaan er vroege en late werken, maar de foto-schilderijen presenteren zich op de eerste plaats als tijdgenoten. Het is dan ook twijfelachtig of het werk van Hocks volledig tot zijn recht komt in dit boek, met inhoudsopgave en paginacijfers. Misschien kan de ware liefhebber de bladzijden beter lossnijden en – op Hocksiaanse wijze – om zich heen laten dwarrelen.

* * *

From Early to Late

Teun Hocks’ work is made up of scenes. His photo-paintings resemble fragments of stories with an uncertain sequence and outcome. They are closely related to the world of feature film. The theatre, too, is never far away. Hocks feels akin to Buster Keaton and Charlie Chaplin. Of the latter, film theorist André Bazin writes: “With Chaplin, it is clear that, apart from what he has borrowed from English mime, he is attempting to perfect the comic techniques of the music hall with the aid of film. Here, film surpasses theatre, albeit by continuing it and eliminating its imperfections.”

Tender humour

Keaton and Chaplin were also the inspiration for Jerry Lewis, Jacques Tati and Pierre Etaix. These slapstick filmmakers did as much as they could themselves: writing, designing, directing and acting. Etaix is the least known. In 1953, he was working as an illustrator, cartoonist and comedian in Paris,when Tati persuaded him to collaborate on the production of Mon Oncle (1958). Etaix wrote jokes, created storyboards, assisted with the direction and played an anonymous supporting role. After this, he made films of his own, including Le Soupirant (1962) and Yoyo (1965). Jerry Lewis stated that he grasped what ‘genius’ meant on two occasions: the first time was when he looked up the definition in the dictionary; the second was when he met Pierre Etaix. In an article for The New Yorker Richard Brody wrote: “His humour is compassionate and tender but offers no exit — his wistful sweetness rapidly crystallizes to the sharp corners and cutting edges of exasperation, derision, and despair.”

Like Etaix, Hocks is an original and versatile auteur of slapstick films. However, Hocks’ films are not shown in a cinema. They exist in the form of separate sketches and ‘untitled’ film stills – and in the viewer’s imagination.

Open character

A film still photographer captures sets, costumes and other details to prevent mistakes being made during production. In addition, the photographer translates a film into a type of ‘tableaux vivants’: images of individual scenes for promotional purposes. The meaning of the film still is often ambiguous. The image suggests a story, but provides no context or further interpretation.

In the late 70’s, artist Cindy Sherman became renowned for her photo series Untitled Film Stills. Sherman created photographs that refer to various film genres, always with herself in the starring role. With the series, she raises questions about individuality and female role models. The open, associative nature of the film still reinforces the interaction between the individual photographs.

Sherman and Hocks use a different perspective in their photographic images: one is postmodernist and socially critical, the other ‘pre-modernist’ and non-political. And unlike Sherman, Hocks is limited to a single film genre: slapstick. However, there are similarities, too. Both artists explore the uncertain meaning of the film still and reflect on identity and individuality. Sherman’s stereotypical female roles are mirrored by Hocks’ small family of (male) alter egos.

Wonderment

In the case of Sherman’s Untitled Film Stills, the connecting theme is more clearly defined than it is with Hocks’ collected works. His themes are easily confused with his visual idiom, allowing the deeper layers to escape attention. His work breathes the atmosphere of a lost world of traveling circuses and variety shows. But those who look further see sharp criticism of modernity and the idea that people ought to make themselves useful. Together with Keaton, Chaplin, Lewis, Tati and Etaix, Hocks makes a plea for playfulness and wonderment.

The unmistakable melancholy of his work is closely related to this. The colours of his characters’ childhood still shimmer through their grey suits. In Untitled from 1994, melancholy is given Ensorian allure. A man in a raincoat is reflected in the night-time window of a fancy dress shop. Amongst the masks he sees his weary face beneath a party hat, a reminder of days when he had something to celebrate.

Unintended situations

Hocks’ criticism also focuses on the story as a metaphor for life and history. Combining disparate events with a timeline gives rise to the suggestion of cause and effect. Hocks disrupts this mechanism in a tragicomical way. His performances do not take much heed of logical reality. Despite their perfectionist execution, they are essentially improvisations in the style of the Fluxus movement. Hocks characters usually find themselves in unintentional situations, in which human reason comes to a standstill.

His extensive oeuvre cannot be read as a chronological story, either. Based on dating (and the age of the artist-actor) we may discern early and late works. However, the photo-paintings primarily present themselves as contemporaries. It is therefore doubtful whether Hocks’ work can be fully reflected in this book, with its table of contents and page numbers. Perhaps the true enthusiast could better cut out the pages and, in Hocksian fashion, allow them to spiral to the ground.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: